Weervisserij

Ansjovis

De weervisserij, vroeger een bloeiende bedrijfstak, is nu een cultuur-historisch fenomeen. Deze vorm van vissen vindt alleen nog in de Oosterschelde plaats. Op een zandplaat worden weren aangebracht. Dit zijn V-vormige houten hagen of staketsels. Deze zijn vervaardigd van eikenhouten takken van vier of vijf meter lengte, die dicht bij elkaar worden gestoken. De weren kunnen wel een kilometer lang zijn. De beide vleugels van de weren komen in het diepste punt van het water bij elkaar. Daar bevindt zich een fuikgat met fuik. De vis wordt in het weer naar de fuik gedreven en gevangen. Dit systeem van vissen is alleen bruikbaar in gebieden die bij eb droogvallen.

De Oosterschelde vanwege eb en vloed

De Oosterschelde was hiervoor bijzonder geschikt door de grote verschillen tussen eb en vloed. Bij hoogwater steken de toppen van het weerhout niet of nauwelijks boven het water uit. Bij laagwater vallen de uiteinden van de weren droog en kan men met lieslaarzen het fuikgat bereiken. De vis die bij hoogwater het ondiepe deel heeft opgezocht, zwemt automatisch naar de dieper gelegen delen. Door het weerhout wordt voorkomen, dat de vis uit het weer zwemt. Uiteindelijk kunnen ze alleen via het fuikgat in de fuik terechtkomen.

 

De twee weren die nog over zijn, zijn allebei eigendom van de familie van Dort.
Vanaf het ondiepe gedeelte, vaak bij een zandbank, zijn rijen staken van berkenhout in het water geplaatst, en wel in V-vorm. Sommige staken staan enkele decimeters uit elkaar, andere meer dan een meter. De ruimte ertussen is opgevuld met kleinere takken. Er worden geen netten gebruikt. Een zijde van een weer noemt men een vlet en kan 500 tot 800 meter lang zijn. 

Op de plaats waar de twee vletten bij elkaar komen, blijft een opening van zo’n anderhalve meter over. Bij die opening begint een grote cirkel. Ook deze is afgezet met dezelfde staken. Hier zijn wel netten tussen gespannen. Aan het einde van deze cirkel bevindt zich een fuikgat waarin een net is geplaatst dat kan worden losgehaald. Zodra het water gaat zakken, gaan de vissen op zoek naar dieper water en zwemmen zo automatisch in de richting van de fuik. 

Waarom ansjovis niet ontsnapt

Waarom zwemmen de vissen niet gewoon tussen de houten staken weg? Dat heeft te maken met de aard van het beestje. Een ansjovis heeft een natuurlijke angst voor alles wat beweegt.

De houten staken trillen zachtjes door de stroming en dat is voldoende om de visjes bang voor het hout te maken. Hierdoor zullen ze nooit tussen de weren ontsnappen. Dat verklaart ook meteen het woord “weervisserij”: de vissen worden geweerd. In de loop der eeuwen is niets veranderd aan deze vangsttechniek.
Als het water voldoende is gezakt stappen beide vissers in het water dat tot hun middel reikt. Ze verwijderen het metalen net. Hier wordt een net voor in de plaats gezet dat 40 meter lang is. Ze nemen een drijfnet mee de cirkel in. Deze heeft lood aan de onderkant en rubberen ringen bovenaan, zodat hij blijft drijven. 

Vanaf het begin van de cirkel drijven ze hier nu de vis mee naar het fuikgat toe. Het net wordt opgehaald en op het dek geleegd. 

 

Elk jaar, in mei en juni, wordt er in samenwerking met Cor van Dort en Jos (Hildernisse) Machielsen Johannis tochten georganiseerd naar de weervisserij. U kunt dan zelf zien hoe de ansjovis gevangen wordt.